Monumentje voor mijn broer: “dat houw ik oe d’r wel efkes in”
Vandaag was ik met één van mijn zonen het "ouwe" terras aan het inspecteren.
Het is een mooi en groot terras waar mijn partner en ik vele jaren van genoten hebben. Genoten van het uizicht, soms op de onweersbuien in het zuiden, en van de vleermuizen die in de schemering rond het huis vlogen.
Afgelopen donderdag had ik bij het vervangen van planken ontdekt dat de balken die de planken dragen gedeeltelijk verrot zijn.
Er moet dus "iets" aan gebeuren. Dat "iets" houdt in dat er een aantal balken (gedeeltelijk) vervangen moeten worden. Dat betekent wederom dat alle terrasplanken gedemonteerd moeten worden, anders kan ik niet bij de balken.
Binnenkort gaan mijn schoonzoon, mijn zoon en ik aan de slag. Het terras wordt als nieuw.
Nadat mijn zoon weer richting huis vertrokken was, moest ik plotseling aan mijn broer denken.
Mijn broer overleed vijf jaar geleden aan de gevolgen van Alvleesklierkanker. Hij was nog maar 52 jaar.
Zijn dood was veel te vroeg. In alle opzichten. Hij was veel te jong en zijn leven was veel te kort geweest. Hij had nog zoveel plannen. Genoot van motor rijden.
Mijn moeder was anderhalf jaar ervoor overleden aan kanker. Zij was bijna 83.
Mijn partner leek allerlei kwalen te hebben, waarvoor allerlei artsen geen medische oorzaak konden vinden.
Ik herinner me nog heel goed hoe machteloos ik me voelde, toen mijn broer ziek was en in "afwachting van zijn dood".
Wij – mijn partner en ik – hoorden de akelige boodschap half december 2004. "Mijn broer gaat dood", zei ik tegen mijn partner. Hij zei ons vakantie appartement op één van de duitse waddeneilanden af, waar we de kerstvakantie zouden doorbrengen. Ik was net weer op de benen na een akelig iets aan mijn rug, al was mijn heup ook nog gammel. Daar bleken eind december 2004 2 cystes in te zitten, veroorzaakt door heupdysplasie.
Toen wij kinderen nog klein waren liepen we altijd samen naar school. In het najaar van 1958 kreeg mijn broertje pijn aan zijn been. "Marianne, wil je mij dragen?" vroeg hij op een dag. Ik droeg hem op mijn rug naar school. In mijn geheugen duurde dat dragen vervolgens wekenlang. Want mijn ouders dachten dat het "de groei" was. Dat was het niet en mijn broertje leek wel steeds gemakkelijker te dragen. Hij werd alsmaar magerder. Op een dag riep ik boos naar mijn ouders, dat ze met hem naar de dokter moesten gaan, omdat hij bijna niet meer kon lopen. Uiteindelijk gingen ze. Mijn broer kwam na een hoop vijven en zessen in het ziekenhuis terecht en men was bang dat hij jeugdkanker zou hebben. Hij bleek chronische beenderontsteking te hebben, wat een enorme opluchting was, want daarvan kon hij genezen. Na weken ziekenhuis mocht hij weer naar huis.
Een smal en mager jongetje met holle ogen kwam thuis. Maar hij werd gelukkig weer beter en later groeide hij uit van iele puber naar stevige bouwvakker. Grote kerel.
Die grote kerel bouwde in mijn eerste eigen huis een prachtige keuken in: Die houw ik oe d'r wel efkes in".
Dat "efkes" duurde wel een paar zaterdagen, maar we hebben erg veel lol gehad en die keuken mocht er zijn!
Toen hij eind 2004 ernstig ziek bleek te zijn en het in de eerste maanden van 2005 toch echt tot allen door drong dat hij echt zou sterven, herinnerde ik me die keren dat ik hem op mijn rug naar school had gedragen.
Op een ochtend in maart 2005 kwam ik bij hem op bezoek. Ik zag zijn machteloosheid en verdriet en voelde mijn eigen machteloosheid en verdriet. Het enige dat ik toen kon uitbrengen was: "Ooit kon ik je meedragen op mijn rug, maar nu kan ik dat niet en ik wilde dat ik het kon, maar ik kan het niet".
We hebben heel lang naast elkaar gezeten, zonder iets te zeggen.
Op 11 april 2005 stierf hij.
Na zijn dood was ik bijna elke week een avond en nacht bij mijn schoonzus. Probeerde haar te steunen en daar was ze blij mee.
Ik probeerde te verwerken en dat ging met vallen en opstaan. Ik was maanden hevig onhandig, liet alles uit mijn handen vallen en mopperde op mij zelf dát ik allerlei dingen uit mijn handen liet vallen. Voelde me naar.
De avond vóór dat mijn partner en ik op vakantie zouden gaan, riep hij me "tot de orde", want volgens hem was ik zo vervelend, dat hij erover dacht in een hotel te gaan.
Dat mijn manier van doen een uiting van intens verdriet, boosheid om de dood van mijn broer, en rouw was heb ik hem nooit echt duidelijk kunnen maken. Hij verdroeg het niet, had er lichamelijk pijn van.
De volgende dag gingen we op vakantie, mijn ogen deden pijn van al het huilen die nacht. Tranen wassen de ziel.
Vandaag stond ik in de warme zon naar het hier en daar verrotte terras te staren en dacht aan de woorden van mijn broer: "Dat houw ik oe d'r wel efkes in". En ik moest glimlachen.
Mijn partner is inmiddels ex. Gelukkig kan ik zelf weer heel veel en met de hulp van mijn zoon en schoonzoon "houwt wiej dat terras d'r wel in".
